Na een week heerlijk te hebben genoten in Maleisie zijn we doorgereisd naar Yogyakarta, Indonesie. Eenmaal geland werden we gelijk geconfronteerd met de bureaucratie van Indonesie. Het probleem was niet zozeer dat we 25 dollar moesten betalen voor ons visum (wat we gelukkig wel al wisten vantevoren), maar wel dat de enige manier waarop da.t kon was door middel van een contante betaling in euros, dollars of rupees. Gelukkig zijn kaaskoppen in dit deel van de wereld nooit ver weg en was er iemand zo vriendelijk om ons het bedrag voor te schieten, zodat we tijd hadden om een geldautomaat te zoeken.
Yogyakarta bleek een stad van veel tegenstellingen. Terwijl aan de ene kant de toeristen een feestje bouwen voor de (uiteindelijk droevige) finale van het wk 2010, slapen aan de andere kant van het scherm de armen in hun fietstaxi’s.


Is de wereld hard? De enige manier om er hier mee om te gaan is door het er niet over te hebben en er niet over na te denken. Ironisch genoeg is dat ook precies wat niet alleen de meeste westerlingen, maar ook de Indonesiers zelf lijken te doen.
Over Yogyakarta zelf valt verder weinig te vertellen. Tempel in, tempel uit, uitgaan tussen indos die niet kunnen dansen, glazen wijn voor 7 euro per glas, fietstaxi’s die je overal naar toe rijden, maar eigenlijk de weg niet kennen en backpackers die zich terugtrekken in hun eigen straat + hotels. Een rare stad, maar dat lijkt nu een beetje de regel te worden hier in Azie.